NumisBids
Your Portal for Numismatic Auctions
  
Schulman b.v.
Auction 367  17 Jun 2021
Pre-sale bidding closes in
2 days 14 hr 12 min

Lot 754
  EUR
     Find similar lots
Estimate: 20 000 EUR
Minimum bid: 16 000 EUR

Email Print
Dutch Oversea Regions
Munten uit de Archipel - Dubbele Dukaton of zilveren rijder in goud geslagen 1759, Gold, BANDJERMASIN Ruiter naar rechts boven gekroond provinciewapentje, mt. wapentje van Dordrecht na omschrift. Kz. generaliteitswapen, jaartal in cartouche. Kabelrand.Barrett p. 199, fig. 3; vgl. JMP 1921 p. 74, pl. II.1 (ander voorzijdestempel); vgl. Delm. 1014 (prototype).Dukatons of zilveren rijders waren dankzij hun aantrekkelijke ontwerp en het hoge zilvergehalte geliefde handelsmunten die in de voormalige koloniën van Nederland circuleerden. Presentatiestukken of afslagen in goud waren voorbehouden aan hoge functionarissen, gewaardeerde handelspartners van de VOC of hoogwaardigheidsbekleders uit andere landen. Hiervan werden slechts een handvol exemplaren aangemunt.

In het artikel 'Merkwaardige Munten' van de hand van Maurits Schulman in het Jaarboek voor Munt- en Penningkunde 1921 wordt het hierboven door ons aangeboden exemplaar beschreven als een inlandse imitatie naar het model van de zilveren Dukaton uit de provincie Holland.

Alle hoofdelementen van het ontwerp zijn inderdaad herkenbaar: op de voorzijde zien we de ridder te paard naar rechts, daaronder het gekroonde provinciewapen. Het omschrift is verbasterd maar benaderd het origineel, ook het muntteken van Dordrecht (het schild aan het einde van het omschrift) is herkenbaar. Op de keerzijde treffen wij het gekroonde wapenschild van de Generaliteit aan, gehouden door twee leeuwen met een verbasterd jaartal in een rijkelijk versierde cartouche. Het omschrift is op deze zijde volledig verbasterd, van het originele motto 'CONCORDIA RES PARVAE CRESCUNT' kunnen wij geen elementen meer onderscheiden. Gezien de stylistische overeenkomsten en de uitwerking van de verbasterde omschriften vermoedde Maurits Schulman dat de oorsprong gezocht zou moeten worden in de voormalige oostelijke koloniën van Nederland, meer specifiek in de archipel van het huidige Indonesië.

Waar Maurits Schulman stopt, gaat William Barrett verder met in zijn standaardwerk 'Brunei and Nusantara - History in Coinage' (1988). Barrett zoekt de oorsprong van dit stuk in Bandjermasin. Gebaseerd op uitgebreid onderzoek naar de imitaties van Nederlandse Duiten, zijn er inderdaad grote overeenkomsten waar te nemen tussen deze Dukaton en de imitaties van Duiten uit Bandjermasin.

In het werk van Barrett lezen wij dat H.C. Millies in zijn befaamde 'Recherches Sur Les Monnaies Des Indigenes de L'Archipel Indien Et de La Peninsule Malaie' uit 1871 geen enkele melding maakt van een dergelijke Dukaton. Barrett stelt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat een gedegen auteur als Millies een dergelijk belangwekkend stuk over het hoofd zou hebben zien, waardoor hij de mogelijkheid oppert dat deze stukken later dan 1871 kunnen zijn geslagen.

Het onderzoek van Barrett wijst uit dat er minstens twaalf exemplaren bekend zijn, geslagen met het gebruik van twee verschillende stempels van zowel de voor- als de keerzijde. Na ons eigen onderzoek kunnen wij dertien verschillende exemplaren identificeren:

1. Afgebeeld in het artikel door Maurits Schulman (JMP 1921 pag. 74 plaat II, nr. 1). (Vz. 1 / Kz. 1)
2. Schulman 172, maart 1930, nr. 844. (Vz 1 / Kz. 2)
3. Schulman 183, oktober 1933, nr. 703. (Vz 1 / Kz. 1)
4. Schulman 233, maart 1960, nr. 557. (Vz 2 / Kz. 1)
5. Heritage 3002, september 2008, nr. 21900 -> uit Glendining, september 1964, nr. 575 (coll. Lady Deveen) -> uit Glendining, september 1960, nr. 581. (Vz 2 / Kz. 1)
6. Schulman 234, november 1960, nr. 969. (Vz 2 / Kz. 2)
7. Schulman 241, februari 1966, nr. 615. (Vz 2 / Kz. 1)
8. Barrett (1988) p. 199, afb. 3. (Vz 2 / Kz. 2)
9. Barrett (1988) p. 200, afb. 1. (Vz 2 / Kz. 1)
10. Goldberg 59, mei 2010, nr. 3370. (Vz 3 / Kz. 2)
11. Stack's Bowers en Ponterio 177, augustus 2013, nr. 12309. (Vz 2 / Kz. 1)
12. Sincona 63, juni 2020, nr. 1426 (Vz 1 / Kz. 2)
13. Dit exemplaar. (Vz 2 / Kz. 1)

Zoals eerder gesteld wijst het onderzoek van Barrett uit dat er gebruik is gemaakt van twee verschillende voor- en keerzijdestempels. Een vergelijkingsonderzoek in ons uitgebreide archief heeft een derde voorzijdestempel aan het licht gebracht.

Het exemplaar dat wij hier mogen aanbieden heeft een diameter van 51,20 mm en weegt maar liefst 74,64 gram, oftewel het equivalent van 21 gouden Dukaten. Deze munt is daarmee qua formaat en gewicht groter dan het munttype waarop het gebasseerd is. Op wiens gezag of in welk munthuis de stukken zijn vervaardigd blijft echter tot op heden nog steeds met enige nevelen omhuld. De huidige theorie is dat een inlandse Indische soeverein opdracht zal hebben gegeven om deze stukken te slaan ter verering van politieke bondgenoten. De bekende gouden afslagen van Dukatons vertonen meestens een gewicht van 10 of 11 gouden Dukaten. Dit stuk, met haar gewicht van 21 dukaten, zou een poging kunnen zijn van deze onbekende Indonesische soeverein om de stukken van de Verenigde Oost-Indische Compagnie te overtreffen.

De diepe gouden glans en het zeer gedetailleerde ontwerp maken deze Dukaton tot een verbluffend mooi stuk exemplaar met een opmerkelijke geschiedenis, waarvan een groot gedeelte tot op heden nog onbekend is.

-----

Ducatons or silver riders were, thanks to their design and high silver content, beloved trade coins circulating in the former colonies of the Netherlands. Presentation pieces or off-metal strikings were reserved for high officials of their trade partners or dignitaries of foreign countries, and thus only a handful would be struck.

Described in the article 'Merkwaardige Munten' ('Curious Coins') penned by Maurits Schulman in 1921, it concerns a piece of imitative coinage modeled after the silver Ducaton struck for the province of Holland.

All of the main elements are recognizable. On the obverse: the knight on horseback to right above crowned arms, with a legend that approaches the original even the mint sign of Dordrecht (the shield at the end of the legend) is visible; on the reverse, the crowned arms with lion supporters and the year within ornamented cartouche. Within the reverse legend, however, the original CONCORDIA RES PARVAE CRESCUNT legend is impossible to discern. Due to the stylistic elements, M. Schulman surmised that the piece was struck in the former colony of the Netherlands, in the archipelago of Indonesia.

Where M. Schulman stops, William Barrett continues with his work 'Brunei and Nusantara - History in Coinage' (1988). Within, he suggests an attribution of the pieces to Bandjermasin based on the extensive research done on imitative coinage of Dutch Doits, as many of the details of this Double Ducaton and Doits bearing a resemblance to one another.

Barrett writes that there is no mention of the type in H.C. Millies work 'Recherches Sur Les Monnaies Des Indigenes de L'Archipel Indien Et de La Peninsule Malaie' ('Studies in Native Coinage of The Indian Archipelago and The Malay Peninsula') (1871). From this he concludes that it is unlikely that such a thorough author (Millies) would overlook such pieces, thus making it feasible that the pieces could have been struck at a later date than 1871.

He goes on to state that at least twelve examples are known to exist from two different pairs of dies. Our research has managed to locate thirteen, described below in order of appearance:

1. Article by Maurits Schulman (JMP 1921 pg. 74 plate II, no. 1). (O1/R1)
2. Schulman 172, March 1930, no. 844. (O1/R2)
3. Schulman 183, October 1933, no. 703. (O1/R1)
4. Schulman 233, March 1960, no. 557. (O2/R1)
5. Heritage 3002, September 2008, no. 21900 -> ex. Glendining, September 1964, no. 575 (coll. Lady Deveen) -> ex. Glendining, September 1960, no. 581. (O2/R1)
6. Schulman 234, November 1960, no. 969. (O2/R2)
7. Schulman 241, February 1966, no 615. (O2/R1)
8. Barrett (1988) p. 199, fig. 3. (O2/R2)
9. Barrett (1988) p. 200, fig. 1. (O2/R1)

10. Goldberg 59, May 2010, no. 3370. (O3/R2)
11. Stack's Bowers and Ponterio 177, August 2013, no. 12309. (O2/R1)
12. Sincona 63, June 2020, no. 1426 (O1/R2)
13. This example. (O2/R1)
Barrett continues that, alongside the known examples, there are two coining dies known for both the obverse and the reverse. Further comparison of the examples illustrated in his work and past sales has uncovered a third obverse die, with significant differences in the design of the rider and the legend (no. 8).

The example we have on offer has a diameter of 51.20 mm and weighs a staggering 74.64 g, the equivalent of 21 Ducats, thereby making this coin larger and heavier than the type it was modeled after. The authority that ordered the striking of the pieces nor the exact location of their minting have yet been identified. The current theory is that an Indonesian sovereign had ordered them to be minted to honor his closest political allies. Off-metal strikings of the Ducaton have so far been on the weight of 10 or 11 Ducats. This piece, at 21 Ducats, could have been an attempt of the unknown Indonesian sovereign to outdo the Dutch East India Company.

With a deep gold luster complementing the sharp details, it is a stunning piece with an equally remarkable history of which much is still undiscovered.Inlandse nabootsing. 51.20mm. 74.64 g. RRR Prachtig
Question about this auction? Contact Schulman b.v.